Een Leidse taaltheorie
In een dubbeldikke editie!
Het Proto-Indo-Europees, de gereconstrueerde oertaal van het Nederlands, Engels, Duits, Grieks, Latijn, Sanskriet, Litouws, Russisch, enzovoorts, had géén b. (Hoe we dat zo zeker weten, legde ik in dit stukje uit.)
En dat is vreemd. In de eerste plaats omdat het Proto-Indo-Europees wél een p had. Het enige verschil tussen de p en de b is een verschil in stemhebbendheid – het wel of niet vibreren van de stembanden.
Bij het uitspreken van de stemloze p blijven de stembanden op hun plaats, bij het uitspreken van een stemhebbende b vibreren ze. Als je een vinger boven je adamsappel plaatst, kun je dat zelf voelen. Probeer het eerst eens met de stemloze s tegenover de stemhebbende z, die kun je wat langer aanhouden.
De overige Proto-Indo-Europese stopklanken komen allemaal in tweetallen: stemloze ḱ tegenover stemhebbende ǵ, stemloze kʷ tegenover stemhebbende gʷ, stemloze t tegenover stemhebbende d – maar de stemloze p heeft dus géén stemhebbende tegenhanger b.
Nu is zo’n hiaat niet meteen het einde van de wereld – niet elk medeklinkersysteem hoeft exact symmetrisch te zijn. In het Standaardarabisch is een vroegere p bijvoorbeeld in een f veranderd. In het oudste Iers is de p zelfs helemaal verdwenen (na eveneens eerst in een f te zijn veranderd).
Wél een probleem is de plek waarop deze hiaat zich bevindt. In talen die belang hechten aan het onderscheid tussen stemloos- en stemhebbendheid (zoals het Arabisch en het Iers) kan de p afwezig zijn, maar de b is juist altijd aanwezig.
Typologisch gezien is het dus opvallend dat het Proto-Indo-Europees, dat óók belang hecht aan het onderscheid tussen stemloos- en stemhebbendheid, géén b heeft. Daarom hebben sommige taalkundigen een alternatief medeklinkersysteem voorgesteld. Wellicht maakte het Proto-Indo-Europees nog een ander belangrijk onderscheid in zijn stopklanken?
Er bestaan namelijk ook talen die gebruikmaken van zogeheten geglottaliseerde medeklinkers. Dat zijn medeklinkers die gekenmerkt worden door een beweging of sluiting van, jawel, de glottis. Hieronder een filmpje ter illustratie. Talen met geglottaliseerde medeklinkers komen veelal voor in de Kaukasus, vlak bij het vermoedelijke leefgebied van de Proto-Indo-Europeanen.
En in talen met geglottaliseerde medeklinkers ontbreekt de bilabiale variant juist erg vaak. Moeten we de stemhebbende stopklanken van het Proto-Indo-Europees (g, ǵ, gʷ, d) niet herinterpreteren als geglotatliseerde medeklinkers, bijvoorbeeld als de ejectieven ḱ’, k’, kʷ’, t’? In deze reconstructie ontbreekt er geen b, maar een p’ – en dat is typologisch dus geen enkel probleem.
Deze herinterpretatie staat binnen het vakgebied bekend als de glottalic theory en is tegenwoordig vooral populair aan de Universiteit Leiden. Ondanks alle bezuinigingen op de geesteswetenschappen doen we nog mee, internationaal gezien.
Een belangrijk argument tégen deze glottalic theory is dat geglottaliseerde klanken in de Indo-Europese dochtertalen niet voorkomen. Nu kunnen deze klanken in theorie allemaal verdwenen zijn, maar we moeten niet vergeten dat het Proto-Indo-Europees alleen gereconstrueerd kan worden aan de hand van deze dochtertalen. Met andere woorden: een typologische aantrekkelijk alternatief is fijn, maar alleen als het ondersteund wordt door bewijs uit de dochtertalen.
Volgens aanhangers van de glottalic theory bestaat dit bewijs wel degelijk. Niet zozeer in directe, als wel in indirecte vorm.
Een voorbeeld is de Wet van Lachmann. Al in 1850, ruim een eeuw vóór de eerste formulering van de glottalic theory, was het de Duitse taalkundige Karl Lachmann opgevallen dat in het Latijn bepaalde voltooid deelwoorden op een vreemde manier van elkaar verschillen.
Zo heb je lēctus (‘gelezen’) tegenover vectus (‘vervoerd’). De eerste met een lange ē, de tweede met een korte e. Dat verschil blijkt samen te hangen met de laatste letter van de gereconstrueerde wortel. Het lange lēctus gaat terug op het Proto-Indo-Europese *leǵ-, terwijl het korte vectus teruggaat op het Proto-Indo-Europese *ueǵʰ-.
Vóór een t zijn de Proto-Indo-Europese ǵ en ǵʰ in het Latijn allebei een stemloze c (spreek uit: k) geworden. Maar de oorspronkelijk stemhebbende ǵ heeft de voorafgaande klinker kennelijk verlengd, terwijl de oorspronkelijk zuchtend uitgesproken ǵʰ dat niet heeft gedaan.
Aan de hand van de glottalic theory is dat verschil goed te verklaren. Als gezegd was de ǵ binnen dat raamwerk geen stemhebbende, maar een geglottaliseerde klank – en bij het verdwijnen van een glottale articulatie willen voorafgaande klinkers nogal eens verlengd worden. De ǵʰ was niet geglottaliseerd, en verlengde dus ook niets.
Aron Groot
Vorige week verdronk ik in andere verplichtingen en verlichtingen. Om het goed te maken was deze editie dubbeldik. Hopelijk niet te lang en/of ingewikkeld. Fijn weekend! (En als je Gevleugelde woorden wilt steunen, dan ben ik je oneindig dankbaar. Klinkt overdreven? Ik heb veel ruimte voor oneindigheid.)




Weer een interessante en doorwrochte verhandeling. Als bijvangst heb ik nog iets anders geleerd. Tot lezing van deze Leidse taaltheorie verkeerde ik in de veronderstelling dat vrouwen geen adamsappel hebben (vandaar de naam). Dat blijkt onjuist: de adamsappel bij vrouwen is slechts minder ontwikkeld, maar geen beletsel om ook het trillen van de b en z te voelen. Dus tevens een anatomische les. Thx Aron
Een Kaukasuskenner heeft me ooit gezegd dat gereconstrueerd Indo-Europees voor hem klonk als Latijn met een Circassisch (Noord-Kaukasus) accent